De schoolstrijd

Vanaf 1900 gingen alle kinderen van Swolgen en Tienray in Swolgen naar school. Dat veranderde echter in 1910, toen de Missiezusters van het Kostbaar Bloed in Tienray een school stichtten. Vanaf dat jaar gingen de meisjes van beide dorpen in Tienray naar school en de jongens in Swolgen. Zowel de ouders van Tienray als die van Swolgen vonden dat een vreemde situatie. De ouders van Swolgen zagen nog wel als voordeel, dat hun dochters in Tienray handwerklessen kregen van de zusters.
In Tienray werd een schoolvereniging opgericht, die overal informatie opvroeg en trachtte verandering in de situatie te brengen. Lid waren: Th. van Rijswick, Fr. Janssen, Fr. van Rijswick, J. Hofman, J. van Geffen en Th. van de Voort.
Half mei 1926 werd een schrijven gericht tot bisschop Schrijnen en er werd een afspraak gemaakt met de heer Wackerhausen uit Eindhoven, die destijds secretaris was van het Nederlands Onderwijzers Genootschap (het N.O.G.).
Er werd een vergadering in Tienray belegd, waarin de heer Wackerhausen uitlegde, wat voor mogelijkheden er waren om een school te stichten.
Enkele dagen later vroeg de bisschoppelijk inspecteur, de heer Van Gils, een onderhoud aan met de schoolvereniging. Samen met de rijksinspecteur kwam hij in Tienray overleggen.
Uit de gesprekken bleek, dat er ook problemen waren in verband met de kapel.
Een paar dagen later werd Th. van Rijswick bij de deken in Horst ontboden. Hij kreeg te horen, dat er een rector in Tienray benoemd zou worden, als men kon aantonen, dat er voldoende inkomsten waren. Dat was gauw geregeld en men kreeg de toezegging, dat Tienray zo spoedig mogelijk een rector zou krijgen. Als die benoeming zou plaats vinden, moest de roep om een gemengde school van de baan zijn. Deze eis werd door de schoolvereniging ingewilligd.
De situatie, dat de jongens in Swolgen naar school gingen, bleef tot 1960 bestaan.
De bisschop gaf pas op 12 augustus 1959 toestemming een lagere school te bouwen buiten het klooster voor zowel jongens als meisjes.