Het onderwijs

De geschiedenis van het onderwijs

In de archieven van de kerk van Swolgen en die van de gemeente Meerlo kunnen we lezen over het onderwijs in het verleden. De kinderen van Tienray gingen in Swolgen of in Meerlo naar school.

In de zeventiende eeuw was het schoollokaal een onderdeel van de onderwijzerswoning of het was een lokaal aangebouwd aan de dienstwoning. Ouders vonden onderwijs niet erg belangrijk en ook onderwijzers stonden niet hoog op de maatschappelijke ladder. Vanaf 1806 moest een onderwijzer in het bezit zijn van een akte van bekwaamheid en pas in 1807 kwam de wet op het onderwijs tot stand. Daarvóór ging het beroep vaak over van vader op zoon. De zoon leerde het vak gewoon van zijn vader. Men werd onderwijzer voor het leven. Het kwam zelfs voor, dat onderwijzers van tachtig jaar oud nog voor de klas stonden met alle gevolgen van dien. Swolgenaar De Swart beëindigde zijn schoolloopbaan in 1870 op 67 jarige leeftijd, nadat de ouders geklaagd hadden over zijn gezichtsvermogen.

De werkgever, vaak de gemeente, bepaalde wat een bovenmeester of onderwijzer aan salaris kreeg. Dat scheelde niet alleen van gemeente tot gemeente, maar ook binnen de gemeente maakte men nog verschil per dorp. Het schoolgeld dat geheven werd, was een onderdeel van het salaris. Om in hun onderhoud te voorzien hadden de onderwijzers diverse bijbaantjes.

In Meerlo en Swolgen kwamen de volgende bijbaantjes voor: koster, voorzanger, organist, belastingambtenaar, herbergier, schoenmaker, smid, akkerman, knopenmaker, doodgraver. Vooral de combinatie onderwijzer, voorzanger en organist kwam vaak voor.

Als de onderwijzer onder schooltijd weg moest, om één van zijn bijbaantjes uit te oefenen, dan nam zijn vrouw of dochter de lessen over. Zijn echtgenote moest daarnaast ook haar eigen werk nog verrichten, zodat het lokaal al gauw “het vertrek van de huishouding” werd. Er werd gekookt in de open haard, er stond een spinnewiel en achter een schot knorde het varken.

Voor 1660 was het onderwijs in handen van een leek, vaak de koster. Daarna, tot de Franse tijd omstreeks 1800, gaf de kapelaan van Swolgen les van Allerheiligen (1 november) tot Palmzondag (zondag voor Pasen).

Er werd les gegeven volgens een voorgeschreven methode, aan de hand van een pastoraal boekje van de eerwaarde heer Cornelius van den Bergher uit het jaar 1664. Dat had na honderd jaar nog niets aan glans ingeboet, want het werd in de achttiende eeuw nog steeds gebruikt.

De heren van Blitterswijck hadden veel invloed op de benoemingen aan de scholen. Blijkbaar had de heer van Meerlo ook zeggenschap over het onderwijs.

Op 12 april 1787 werd namelijk de heer P. Janssen tot onderwijzer benoemd van Meerlo en Tienray door Edmund Gottfried Wilhelm Cornelius des heiligen Römische Reichs Graf von Hatzfeld Wildenburg Herr zu enz. enz.

Na de Franse Tijd werd het gemeentebestuur verantwoordelijk voor het onderwijs.

Op 17 september 1815 kwamen alle inwoners van Meerlo bij elkaar voor de benoeming van een onderwijzer voor elf maanden. Onderwijzer Gerard Copris was overleden. De zeventien jarige kandidaat, Goedhart uit Well, had grote kans benoemd te worden. De inspectie ging hiermee echter niet akkoord, omdat de kandidaat geen rang en geen kennis had. Een akte van toelating was noodzakelijk en die zou hij niet krijgen van de inspecteur.

In 1819 werd in Meerlo een nieuwe school gebouwd tegenover de toren. Het lijkt geen deugdelijk gebouw geweest te zijn, want in 1867 werd er weer een nieuwe school gebouwd op dezelfde plaats. Deze nieuwe school werd multifunctioneel.

Behalve overdag werd er ook in de avonduren les gegeven. Zo gaven de pastoor en de kapelaan er godsdienstles (=catechismusles).

Het werd een inentingsplaats tegen pokken.

Het werd verenigingslokaal, bijvoorbeeld voor het muziekgezelschap en het gilde.

Het deed dienst als openbare schouwburg en vergaderlokaal voor de belangen der pluimveehouders.

De bibliotheek werd erin ondergebracht en de uitbetaling van de boterprijzen vond er plaats.

Toen de gemeenten verantwoordelijk werdenvoor het onderwijs, werden overal schoolcommissies gevormd. Zo was er in 1829 in Meerlo een schoolcommissie, die enkele duidelijke regels opstelde. De schoolcommissie schreef:

  1. De ouders moeten de kinderen zindelijk en zonder “ongecijfer ter schole” zenden. Er zal elke veertien dagen controle plaats vinden.

  2. De “schop” mag dienen als ene gevangenis voor ondeugende kinderen. Het raam mag verduisterd worden.

  3. Elk jaar moeten de pijpen aan de kachel vernieuwd worden.

Men had echt hart voor de school, want in de notulen kunnen we lezen, dat er jaarlijks turf aangeschaft werd voor de kachel, er kwamen plavuizen op de vloer en de schoolbanken moesten doorgezaagd worden, om wat voor reden dan ook. Kinderen met schurft werden naar huis gestuurd, omdat ze stonken.

Aan het onderhoud van gebouw en inventaris van de school van Swolgen werd ook het nodige geld besteed. Op 25 november 1823 heeft Jan van den Bosch “de school gesmeerd en gewit. Verder heeft hij een nieuwe dulper gemaakt”. De kosten bedroegen ƒ 2,02, die ten laste kwamen van de afdeling Swolgen. In de jaren 1825, 1826 en 1827 werd de school gewit, werden de glazen gemaakt en vond het potloden van de kachel plaats.

Na 1900 inspecteerde de Gezondheidscommissie van Noord-Limburg elk jaar de toestand op de scholen. Uit een verslag over 1917 bleek, dat de privaten in Swolgen gebrekkig waren. Er was geen goede ventilatie in de school en er vond zo goed als geen onderhoud of reiniging plaats. De drinkwatervoorziening en het water uit de buurt was afgekeurd en men dacht aan sluiting van de school. In de jaren daarna trad geen verbetering op en in 1919 was zelfs sprake van een onhoudbare toestand. De oude waterput werd nog steeds gebruikt.

In 1907 werd de grondwet zodanig gewijzigd, dat ook bijzonder onderwijs toegestaan werd naast openbaar. In 1920 werd het openbare en bijzondere onderwijs gelijkgeschakeld op financieel gebied. Veel openbare scholen werden bijzondere scholen. De openbare lagere scholen in Blitterswijck, Meerlo en Swolgen werden in 1928 katholieke scholen. De drie kerkbesturen, die tevens schoolbestuur werden, moesten een waarborgsom, zijnde vijftien procent van de stichtingskosten van de school, aan de gemeente betalen. Voor de school van Swolgen ging het om een bedrag van ƒ 1.911,75. Dat geld werd door de kerk betaald. Op 29 december 1928 werd de school ingezegend. Dat kostte ƒ 3,64 en de traktatie aan de kinderen kostte nog eens ƒ 11,25. Op 1 maart 1929 werd de bestaande onderwijzerswoning voor ƒ 700,00 verkocht aan het nieuwe schoolbestuur.