De Eerste Wereldoorlog

In 1914 brak de eerste wereldoorlog uit. Omdat Nederland neutraal bleef, zochten veel Belgische vluchtelingen een veilig heenkomen in ons land.
In Tienray waren diverse Belgische vluchtelingen ondergebracht bij Van de Voort, Wijnhoven (Kloosterstraat 2) en in het klooster. In het hotel van Van de Voort, (Spoorstraat 2) waren maar liefst acht vluchtelingen ondergebracht. De hotelhouder was het niet eens met de rijksvergoeding van 35 cent per volwassene en 15 cent voor een kind per dag. Hij vond het te weinig en eiste een hogere vergoeding.
Burgemeester Van Haeff wenste niet in te gaan op diens eisen en dacht er over de vluchtelingen in een kamp onder te brengen. Pastoor Von Bönninghausen deed alle moeite om de vluchtelingen in Tienray te laten blijven. Een zondagse collecte in de parochiekerk van Swolgen had maar liefst driehonderd gulden opgebracht. Dat was ongeveer dertig weeklonen van een arbeider. Veel van dat geld kwam ongetwijfeld van de Belgische gasten. Volgens de pastoor stelde de burgemeester zich zo hard op om te laten zien, dat hij de baas was in de gemeente en niet Van de Voort. Ondanks dat de vluchtelingen zich voorbeeldig gedroegen, werden ze op zondag 24 januari 1915 toch in een kamp elders ondergebracht.

Diefstal uit de kapel
Hoewel Nederland in de eerste Wereldoorlog neutraal was, werd er in Tienray toch iedere nacht gepatrouilleerd door een paar leden van de burgerwacht. Op zekere nacht zag de patrouille licht in de kapel. Dat verplaatste zich van de ene naar de andere kant. Men dacht aan onraad. Er werd alarm geslagen en tien leden van de burgerwacht werden uit hun bed gehaald. Er werden wachtposten geplaatst bij de hoofddeuren, de deur van het kleine zijportaal en de deur van de sacristie. De deur van het zijportaal werd voorzichtig geopend en met het geweer in de aanslag drongen enige burgerwachters de kapel binnen. Voor de deur van de sacristie vond men een jas met daarop een houten Mariabeeldje in een krant gewikkeld. Ook vond men het tabernakel, toentertijd een houten kastje, liggend op de trappen van het hoofdaltaar. De beitel om het te openen zat al tussen het deurtje geklemd.
Aan de buitenkant van de deur van de bijsacristie zat geen sleutelgat. Men kon die alleen van binnenuit openen. Vanuit de kapel kon men door een stevige deur in de bijsacristie komen. Die deur werd iedere avond gesloten. De sleutel bleef aan de kant van de kapel op het slot steken. Vanuit de bijsacristie kon men via een gammel deurtje zonder slot in een nis komen naast het St. Jozefaltaar. De burgerwacht postte niet bij de buitendeur van de bijsacristie, omdat daarin geen sleutelgat aan de buitenkant te zien was.
De dief moet goed bekend zijn geweest in de kapel. Terwijl de burgerwacht de kerk binnendrong, stapte de dief door de onbewaakte deur naar buiten en koos het hazenpad.
Tussen de huidige Bernadettelaan en het klooster was vroeger een boomgaard, van de weg afgescheiden door een jarenlang niet onderhouden heg met doornen. Via die heg vluchtte hij het open veld in, richting Maas. De burgerwacht zette de achtervolging in en gaf nog een salvo af, maar werd de schelm niet geraakt en ontkwam. Enige dagen later hoorde men in Tienray, dat aan de Maas in Broekhuizen in die nacht een bootje gestolen was, dat de volgende ochtend aan de overkant terug gevonden werd. Op diezelfde avond werd in brouwerij de “Vriendenkring” in Arcen ingebroken. Er werd een fiets en jas ontvreemd.
In de jas, die in de kapel achtergebleven was vond men niet alleen een portefeuille met daarin de pas met foto van een schilder uit Nijmegen, maar tevens een telegram van een antiquair uit Amsterdam. Deze vroeg de Nijmegenaar een antiek Mariabeeld uit de veertiende of vijftiende eeuw te leveren. De politie had toen gemakkelijk werk. De dief mocht een gevangenisstraf van zes maanden uitzitten.

De voedselvoorziening
Er kwamen problemen met het voedsel. Er werden bonnen uitgereikt aan mensen, die zelf geen koren verbouwden. Het “Roggecomité” zamelde overal in ons land rogge in om de voedselvoorziening te kunnen garanderen. Op 27 april 1917 werd in Tienray het ingezamelde koren (rogge) opgehaald met huifkarren, die beschermd werden door bewapende militairen.

 

Op 14 november 1917 deelden de bakkers in de gemeente de burgemeester mee, dat ze weigerden om roggebrood te bakken tegen de vastgestelde prijs. De overheid had bepaald, dat een brood 28 cent moest kosten. Zij wilden wel voor 34 cent bakken. Zeven bakkerijen in de gemeente Meerlo dreigden te gaan sluiten.

Tienray had ook één slachtoffer tijdens deze oorlog.
Heinrich Oppermann, echtgenote van Petronella Lamers woonde destijds op Spoorstraat 4. Hij sneuvelde op 12 november 1914 in Hirson in de Franse Ardennen en ligt daar begraven. Hij was Wehrman. De familie Lamers was afkomstig uit Kerkrade.