De tolheffing

De tolheffing
Door Tienray loopt een provinciale weg. Vroeger heette die de A 6, nu de N 554. De gemeente Meerlo had het recht om op die weg op haar grondgebied tol te heffen.
Van dat tolgeld werd het onderhoud van de weg bekostigd.
De gemeente verpachtte het innen van het tolgeld aan de meestbiedende en in 1877 bracht dat ƒ 96,00 op. G. Geurts uit Meerlo was de eerste tolgaarder.
Niet iedereen hoefde tol te betalen. Er waren een twaalftal vrijstellingen, onder andere Staatspostillons, Brievenpostillons, Militaire paarden en wagens, de paarden en voertuigen van de dienstplichtigen, ingezetenen van Tienray en Meerlo voor hand- en spandiensten.
De inwoners van Blitterswijck en Swolgen moesten ondanks protesten wel betalen.
In 1882 bracht de pacht ƒ 135,00 op en was J. Hendrikx uit Meerlo de hoogstbiedende.
Hij verplaatste de tolheffing van Meerlo naar de Markt in Tienray.
Dat was een slimme zet van hem, want veel tolplichtigen uit Swolgen, Tienray, Oirlo en Castenray, die naar het station in Tienray gingen, moesten nu ook betalen.
Er kwamen veel protesten, maar die baatten niet.
Het toltarief bedroeg in 1882:
1. vijf cents voor elk paard, aangespannen of niet.
2. 2½ cents voor elke aangespannen os.
3. 2½ cents voor elk paar wielen van rij- en voertuigen, hoe dan ook voortgetrokken en hoe dan ook genoemd.
Als de kar getrokken werd door een hond, dan behoefde geen tol betaald te worden.
In 1927 waren de tarieven:
ƒ 1,00 Vrachtauto met aanhanger
ƒ 0,50 Elke vrachtauto licht of zwaar
ƒ 0,15 Luxe auto of bus
ƒ 0,07½ Motorrijwiel
ƒ 0,10 Kar
ƒ 0,15 Rijtuig of vierwielig voertuig.
In 1884 pachtte Joseph Steegh uit Horst de tol voor drie jaren voor de jaarlijkse pachtsom van ƒ 370,00. Hij stelde Willem van Well aan als tolgaarder en bleef zelf in Horst wonen.
De tolgaarder was verplicht een eed af te leggen zoals in een schrijven van 6 april 1887 te lezen is. Hij kreeg een uitgebreide, op schrift gestelde instructie van de gemeente en de tol moest geheven worden op de kiezelweg Meerlo – Tienray. Er mocht een tolboom geplaatst worden en eventueel een tweede. Alles moest goedgekeurd worden door Gedeputeerde Staten te Maastricht.
In Tienray waren drie markeringen aangebracht te weten:
het tolhuisje, op de markt.
op de Kloosterstraat bij de “alde pastorie”,
bij de ingang van de losplaats van het spoor.
Er waren regelmatig problemen met mensen, die zonder te betalen langs de tolboom wilden glippen. Het personeel van de tolgaarder (bijvoorbeeld Netje van Rijswick – Basten) moest regelmatig tot de kerk achter de vermeende wanbetaler aan rennen.
Piet Bartels uit Meerlo was zo iemand. Willem van Well hield precies bij hoe vaak en wanneer hij dat deed. In 1887 was dat 96 keer. Bartels was onverbeterlijk en weigerde ook in 1888 tol te betalen. Ook Martinus Vissers en Matthijs v.d. Homberg passeerden tientallen keren zonder te betalen. Zij handelden in graan en steenkolen.
Op 13 april 1888 maakte veldwachter Joh. van Neerven hiervan een proces verbaal op.

Dien Gruntjes, mevr. Van Well-Pingen en Hub van Well

De volgende drie jaren pachtte Willem van Well zelf de tol.
Hij woonde destijds op Spoorstraat 7. Bij het huis hoorde een café met beugelbaan. Hij liet op de Spoorstraat een nieuw huis bouwen en wilde van daaruit de tol gaan heffen.
Helaas voor hem werd de tol in 1892 verpacht aan Huub van de Ven.
Die woonde toen op Spoorstraat 7, het huis waar Willem van Well eerst gewoond had.
Hij had ƒ 380,00 geboden. Van Well werd een paar jaar later toch de gelukkige winnaar, zij het na een juridische strijd met de gemeente.
In 1895 had de gemeente verzuimd een openbare aanbesteding te houden en had de tolheffing weer gegund aan Huub van de Ven. Van Well schreef een brief naar koningin-regentes Emma en hij stelde alles in het werk om het provinciebestuur de gemeente te laten gelasten de pachtovereenkomst van 1895-1898 in te trekken.
Bij de eerstvolgende aanbesteding kwam Willem van Well als overwinnaar tevoorschijn met een bod van ƒ 405,00. De tolheffing werd verplaatst naar (nu) Spoorstraat 12 (destijds Stationsstraat) en Van Well noemde zijn huis: “Tolhuis”. Hij was overigens bakker, winkelier en kastelein van beroep.
Tot aan zijn dood in 1905 bleef hij pachter, waarna zijn vrouw de honneurs waarnam.
De gemeente was zo tevreden over haar, dat zij het werk tot 1918 mocht blijven doen. Toen vertrok zij uit Tienray. De pacht bedroeg toen al ƒ 600,00 per jaar.
Een jaar later moest Martinus van Geffen maar liefst ƒ 1.200,00 betalen om tolgaarder te mogen worden. De pachtsom was in 1920: ƒ 1.050,00 en in 1927 maar liefst ƒ 1.660,00.
In 1927 stelde het Provinciebestuur van Limburg een grondig onderzoek in naar de gang van zaken betreffende de tolheffing in Tienray.
Uit dat onderzoek bleek, dat de tolheffer met de meeste inwoners of bedrijven een jaarovereenkomst had gesloten. Hij inde in januari al het geld over het hele jaar. Bekend was, dat de beide steenfabrieken ƒ 400,00 respectievelijk ƒ 300,00 betaalden.
Met diverse boeren en autobezitters had hij afspraken gemaakt. Zodoende had hij ongeveer honderd abonnees. Met de overige voerlieden rekende hij vaak na afloop van het jaar af. Een kwestie van vertrouwen dus.
Het provinciebestuur drong er bij de gemeente Meerlo op aan om de inmiddels verouderde tolheffing af te schaffen. De reden hiervoor was, dat de gemeente een subsidie kreeg van ƒ 1284,52 voor het onderhoud van de weg. Het bestuur van de gemeente Meerlo besloot daarom om vanaf 1 januari 1928 geen tol meer te heffen.