De gemeente Tienray

De gemeente Tienray

Het dorpsbestuur of het kerspel werd gevormd door de grondeigenaren of geërfden van het dorp. Zij werden gekozen door de inwoners van Tienray.
Omstreeks 1769 wordt het dorpsbestuur gevormd door de heren G. Kusters, P. Smulders, Hendel en Poell. Zij kregen voor bepaalde werkzaamheden betaald. Zo maakte Gerard Kusters regelmatig dienstreizen naar Horst, Venray, Wezel, Arcen en Roermond. Hij bracht reis – en verblijfkosten in rekening.
Tijdens de Zevenjarige oorlog (1756-1763) zocht de gemeente Tienray samenwerking met andere gemeenten voor het verrichten van legerdiensten aan de Fransen. Samen met Venray, Kessel en Bree werd in 1760 een paard gehuurd. De gemeente Tienray had het paard 75 dagen nodig gehad en nam daarom het 1/5 deel van de kosten van de huur van het paard voor haar rekening. Die kosten werden weer verdeeld over de inwoners. Kusters moest bijvoorbeeld voor negentien dagen betalen.
Met het zelfde doel zocht de gemeente Tienray samenwerking met Broekhuizenvorst, Ooijen en Geijsteren. Het ging toen om het gezamenlijk gebruik van twee karren, waarmee goederen naar de “Franse Armee” vervoerd moesten worden.
Willem aen gen Eijndt bood aan dat voor drie gulden Cleefs te doen. Zou Willem zijn paard kwijt raken, dan ontving hij 48 pattacons voor het paard en 12 voor de kar.
Tienray moest 1/8 deel betalen van de totale kosten.
Het gemeentebestuur hield zich bezig met het innen van de belastingen en het beheer over die gelden.
Er waren drie soorten belastingen:
Grondbelasting, personele belasting en belasting op dieren.
De hoogte van de grondbelasting werd door de landsheer per gemeente vastgesteld en was afhankelijk van de oppervlakte van de gemeente.
Het verschuldigde bedrag werd over vijf termijnen verdeeld, maar in tijden van oorlog ging men vaker, soms wel vierentwintig keer per jaar, rond om hetzelfde bedrag te innen. De belasting was dan dus aanmerkelijk hoger. Het bestuur van Tienray zorgde voor een omslag en inning bij de dorpsbewoners.
Bij de personele belastingen, die één keer per jaar vastgesteld werden, werd onderscheid gemaakt tussen de seksen. Voor een man moest dertig stuivers betaald worden en voor elke vrouw achttien. Een knecht of zoon van zestien jaar of ouder kostte twaalf stuivers en een dienstmaagd of dochter van zestien jaar of ouder zes stuiver belasting. Afgerekend werd er in pattacons.
Voor de inning van de belastingen zorgde de schatheffer. Deze schatheffer moest jaarlijks verantwoording afleggen aan het gemeentebestuur. Het ambt van schatheffer werd verpacht en gegund aan de minst vragende. Het kleine Tienray had één schatheffer. Meestal was de benoeming voor één jaar, een enkele keer voor een gedeelte daarvan. Er moest altijd iemand borg staan voor de schatheffer. Dat was wel nodig, want deze was verantwoordelijk voor de afdracht van de belastingen over de periode van één jaar. Bovendien waren in het verleden schatheffers er met de buit vandoor gegaan. Soms waren belastingen moeilijk te innen en kwam er fysiek geweld aan te pas. In tijden van troebelen was er geen animo voor deze baan. Er werd dan iemand aangewezen.
In Tienray waren de volgende schatheffers: Gerard Kusters, Hendel uit Arcen en Hendrik Aerts, een broer van de pastoor. Deze Hendrik Aerts woonde in Swolgen.
Hij werd eens behoorlijk toegetakeld en kreeg de kosten van de chirurgijn vergoed.
Regelmatig kon Tienray de belastingschuld niet opbrengen. Het gevolg van de hoge belastingen was, dat veel mensen het dorp verlieten.
De verlaten boerderijen werden eigendom van de gemeente, die dan de belastingen op moest brengen.
Zij trachtte die boerderij zo snel mogelijk te verkopen om weer vrijgesteld te worden voor de belasting voor die boerderij. Een enkele keer kreeg de koper er zelfs geld bij uit.
Het gevolg daarvan was ook, dat de gemeente Tienray geld moest lenen om aan de verplichtingen te voldoen. In 1670 had ons dorp een schuld van ƒ 2.585,00. Het bijzondere was, dat de kapel maar liefst zeven honderd gulden uitgeleend had aan de gemeente. Pastoor Aerts schrijft ook over “De miserie van Tienray“.
In de heerlijkheid Meerlo – Tienray zorgde het dorpsbestuur voor het beheer van de heidegronden, bossen, weiden, wegen en waterlopen. Het bestuur zorgde bovendien voor de handhaving van de openbare orde en veiligheid.
In de Pruisische tijd werden ook aantekeningen gemaakt van de inkomsten en uitgaven van de gemeente. Hieruit bleek, dat het Tienray niet voor de wind ging door de oorlog van 1702-1713, de slechte oogsten en de hoge schattingen. Veel huizen en boerenhoeven waren verlaten. In een in 1723 opgemaakte lijst voor “De inrichting van de nieuwe Landts – matricul” werd Tienray genoemd als “een plaatsje zonder behoorlijke land- en weidegronden en waar de bewoners “bedelaars en arm volk” zijn”. Bovendien had Tienray geen weiden, turf en weinig gemene gronden. De landerijen waren mager en slecht. Regelmatig deden schepenen met succes een beroep op de regeringsinstellingen voor verlaging of kwijtschelding van de opgelegde contributies en belastingen.