Stientje Jans

In de kroniek van de Missiezusters van het Kostbaar Bloed te Tienray staat vermeld bij 27 oktober 1944: Vandaag kwamen negen zusters van de Goddelijke Voorzienigheid uit Oirlo om opname vragen. Zij hadden een zwaar gewond kind bij zich.
Ook in de kroniek van de zusters van Oirlo wordt het kind regelmatig genoemd. Informatie van Toon Vollebergh en een gesprek met Maria Clevers – Jans maken het verhaal compleet.
Stientje Jans, want zo heette het meisje, was een evacué uit Maashees en was geboren op 8 november 1940. Haar ouders heetten Sjang en Catrina Jans – Gerits. De familie was samen met de families Duijkers en Haas geëvacueerd in het kippenhok van de familie Piet en Maria Muijsers – Van der Sterren. In totaal ging het om dertig evacués, die daar verbleven.
Bij de beschieting op 16 oktober 1944 van de boerderij op de Meerloseweg 16 werden drie Nederlanders gedood, die op 18 oktober 1944 begraven werden op het kerkhof in Oirlo. Dat waren:
J. Cortenbach uit Groeningen, geboren 14 februari 1870.
M. de Haas uit Vortum, geboren op 15 april 1884 en
Martien Jans uit Maashees, geboren in 1937. Eerder waren er drie Duitse militairen gedood en twee zwaar gewond.
Stientje werd door een scherf in haar ruggengraat getroffen. Zij bleek vanaf het middel verlamd te zijn. Haar broertje Martien kwam bij deze beschieting om het leven en haar zusje Maria werd gered doordat een Duitse militair zich op haar stortte. Stientje had nog geroepen: Mama, ik kan niet meer lopen. Toen de beschieting ophield werd ze in een kruiwagen naar de wijkzuster van het Groene Kruis gebracht. In het klooster was destijds een ziekenzaaltje ingericht.
In het bezette klooster waren de volgende zusters gehuisvest: Damase (handwerkjuf), Debora (kokkin), Hendrina (onderwijzeres), Gertraud (verzorging van de was), Jozefita (ziekenzuster), Odilia, Odorika (73), Theresia, Verona (hoofd van de meisjesschool) en moeder overste Bonavita. Deze godsvruchtige vrouwen behoorden tot de Congregatie van de Zusters van de Goddelijke Voorzienigheid met het moederhuis in Steyl. Kloosters van dezelfde orde waren ook in Venray, Sevenum, Tegelen en Munster in Duitsland. Ontroerend was ook de zorg, die de zusters op zich genomen hadden voor de verlamde kleuter Stientje Jans uit Maashees.
Toen de zusters moesten evacueren, namen ze Stientje mee. Daarbij namen de zonen van koster Nelissen het vervoer naar Castenray per kruiwagen op zich. Bij de familie Vollebergh – Nelissen kreeg Stientje een plaatsje op een matrasje in de middelste kelder. Daar verbleef ze steeds. Zuster Jozefita en zuster Damase hadden voortdurend veel werk met de kleine gewonde, want de kleine “liet alles lopen”. Op de trap van de kelder speelde ’s avonds de Duitse militair Wolff op zijn mondharmonica en Stientje sloeg daarbij met haar armpjes de maat tot ontroering van allen. Na de beschieting op Castenray bracht zuster Damase met Stientje een bezoek aan een Duitse arts. Hij bekeek de wond, keek de zuster aan en zei, dat ze in Duitsland zo’n patiënt een spuitje zouden geven. Zuster Damase ontplofte bijna en gaf hem in onvervalst Duits te verstaan dat hier in Nederland andere normen en waarden golden dan in Nazi Duitsland.
Via het klooster in Tienray belandden de zusters met Stientje in de kapelanie, Hoofdstraat 47 in Meerlo.


Na de bevrijding van Meerlo gingen de zusters terug naar Oirlo. Zuster Jozefita en zuster Damase bleven met het meisje in Meerlo achter. De overige zusters verbleven op de Molenhoek en probeerden het klooster weer enigszins bewoonbaar te maken. Op 17 december 1944 tegen de middag kwamen zuster Jozefita en zuster Damase met Stientje bij de familie Rongen aan. Op 31 december 1944 verhuisde ze met de zusters naar het klooster.

Stientje doet de eerste communie

Op 22 februari 1945 schreef zuster Verona: Stientje is zeer opgewekt en leuk. Ze vindt het erg dat zuster Assistent vertrokken is. Dikwijls vraagt ze: “Komt zuster Assistent nog niet terug?” Zij is pas vier jaar, maar kan praten en redeneren als een kind van acht of tien jaar. Alle zusternamen spreekt ze zonder moeite secuur uit. Het is een begaafd, zeer vroom kind. Ze doet alles met de zusters over en wil toch o zo graag werken. Soms vraagt ze: “Moeder, mag ik doorwerken?” Of als iemand met haar praat: “Ik heb geen tijd, ik moet werken”. Haar geduld en opgeruimdheid kan men bewonderen. Toch heeft ze twee wonden in de rug. Het is het zonnetje van ons huis. Stientje ligt zo graag buiten, ze is lief en goed voor iedereen. Ze kent iedere zuster aan de stem en aan de stap. Vannacht was ze erg onrustig. Ze had het over haar poppen. Ze krijgt veel bezoek.
Stientje lachte veel, vroeg, vertelde, redeneerde. Ze vroeg dikwijls: ”Waar zijn moeder Antoine en zuster Assistent?” De moeilijkste woorden sprak ze met groot gemak uit. Ook had ze een buitengewoon geheugen. Ze was het zonnetje van het convent.
De ouders, zusjes en broertjes van Stientje kwamen vaak op bezoek, maar ook veel Britse militairen en dorpelingen brachten een bezoekje aan het gastvrije klooster. Op 26 maart 1945 kwam nog een Britse soldaat Stientje bezoeken. Dat gebeurde heel vaak. De militairen brachten altijd veel mee voor haar, bijvoorbeeld chocolade.
Vanuit Oirlo is Stientje met twee zusters naar het Canisiusziekenhuis in Nijmegen gebracht.
De scherf is spontaan uit haar rug gekomen, maar de wond wilde niet helen. Daarna is ze in Tilburg terecht gekomen in het Sint Elisabethziekenhuis en nog enige tijd in een tehuis aldaar.

Daar deed ze de eerste communie. Er kwamen slechts twee mensen op bezoek: vader en moeder. Vervolgens belandde ze in het Onze Lieve Vrouwen Gasthuis in Amsterdam waar ze anderhalf jaar verbleef. Tenslotte kwam ze weer naar Nijmegen, maar nu in de Sint Maartenskliniek. Een enkele keer kwam ze in een rolstoel naar huis. In Nijmegen werd Stientje met rolstoel en al in een goederenwagon geladen. In Vierlingsbeek werd ze door enkele mannen met stoel en al uit de goederenwagon gehaald en kwam haar zus Maria haar met de fiets afhalen. Vanuit Maashees reed ze wel eens naar de Maas om een praatje te maken met Engelse militairen die daar op oefening waren.
De ouders konden slechts één keer per maand bij haar op bezoek gaan en ook bij het communiefeest in Tilburg waren zij de enige familieleden.
Op de dag van haar sterven zei ze tegen iedereen: Weten jullie dat ik vandaag dood ga? Het verplegend personeel nam het aanvankelijk niet serieus op. Na lang aandringen door Stientje werden haar ouders opgeroepen. Die werden met de personenwagen met chauffeur van de directeur van Havens naar haar sterfbed gebracht. Kort na hun aankomst op 5 november 1953 stierf dit jonge meisje aan, naar later bij sectie bleek, een hartaanval. Ze had niet één keer geklaagd in haar leven ondanks de vele operaties die ze had ondergaan.
Na haar dood kwam nog onverwacht een Britse militair speciaal uit Engeland in Maashees op bezoek bij de ouders van Stientje.