De kluus

Nauw verweven met de kapel is het verhaal over een kluizenaar, die voor de kapel gezorgd zou hebben. Nadat hij uit zijn slaap ontwaakte, zou de kapel er ineens gestaan hebben. In Tienray is wel sprake van een boerderij, die in de volksmond “De kluus” genoemd werd.
Het armenbestuur van Swolgen was in het bezit gekomen van een lapje grond, het zogenaamde hitje. Het stukje grond lag over de Groote Molenbeek. Omdat de pacht van het stukje nagenoeg niets opbracht, verkocht het bestuur het in 1785 aan Johannes de Jonge uit Amsterdam. Hij werd broeder Paulus genoemd en had zelfs een knecht, een coadjutor. Vanaf de kluus liep een paadje over een brugje rechtstreeks naar de kapel. Samen trokken Johannes en zijn knecht in de zomer naar het westen van ons land om daar te gaan bedelen. Ze woonden ongeveer tien jaar in de kluus, toen plotseling brand uitbrak. Aangezien de knecht in geen velden of wegen te bekennen was en hij in Tienray bovendien een slechte naam had, werd hij al gauw van brandstichting verdacht.
Kort daarop verdween ook de kluizenaar en werd het stukje grond verkocht aan de familie Venhorst uit Meerlo.