Het wijden van godsdienstige voorwerpen

Als men vroeger een rozenkrans, medaille of iets dergelijks kocht, moest het voorwerp gewijd worden door een geestelijke. Overal werd vroeger gewijd, zowel binnen als buiten de kapel. Kwam men een pater tegen, dan werd hij aangehouden om te wijden. Zat de geestelijke in het restaurant van de koster te eten of te drinken, dan lieten de pelgrims godsdienstige voorwerpen naar binnen brengen en de priester moest dan met volle mond aan ’t wijden.
Blijkbaar waren niet alle paters in staat om alle voorwerpen te wijden. Voor ieder voorwerp bestond namelijk een ander gebed.
Al vlug had pastoor Von Bönninghausen de volgende regels opgesteld:
-Als de pastoor of de kapelaan aanwezig was, dan mochten de paters niet wijden.
-Er werd alleen gewijd in de kapel voor de communiebank, behoorlijk met stola gekleed en voorzien van wijwater en wijwaterkwast. Daar stond men dan uren en uren te wijden. Dacht men eindelijk klaar te zijn met het zegenen van de scapulieren en de medailles, dan kwamen weer nieuwe pelgrims met voorwerpen aanlopen. Er kwam geen einde aan. Daarom zag pastoor Von Bönninghausen zich genoodzaakt om de wijdingsuren vast te stellen. Hij noteerde dat op een bord binnen en buiten de kapel en in de winkel.
-Er zou gewijd worden na de twee heilige missen en om 12 uur, 12.30 uur, 14 uur en voor en na het lof van 14.30 uur. Het heeft hem heel wat moeite gekost om de pelgrims daaraan te gewennen. Na het lof was het vaak niet zo druk meer en werd er nog van tijd tot tijd gewijd. Het enige, wat nog kon voorkomen was, dat gevraagd werd na de mis van zeven uur de voorwerpen te wijden, omdat de mensen dan weg moesten. De geestelijken deden dat dan wel eens, hoewel dat “weg moesten” wel eens een smoesje bleek en “dwingerij” was. Natuurlijk gaven de eerwaarde heren vóór het wijden in het Hollands of in het Duits de nodige uitleg over de wijdingen en aflaten.