Het klooster

Het klooster
Enkele inwoners hebben zich in het verleden sterk ingezet voor de stichting van een klooster voor paters in Tienray. Anselm van de Voort ondernam pogingen om de paters van Brakkenstein Nijmegen, de missionarissen van de Heilige Familie in Kaatsheuvel of de Passionisten van Mook naar Tienray te lokken. Allemaal vergeefs.

Tegelijkertijd trachtte zuster Paula, algemeen overste van de missiezusters van het Kostbaar Bloed, een klooster te stichten op het platteland, in de buurt van de grens met Duitsland.
In Venlo vernam ze, dat Tienray als bedevaartplaats veel pelgrims trok, vooral uit Duitsland. Zij nam daarop contact op met pastoor Maessen in Swolgen. Deze was echter tegen de vestiging van een zusterklooster in Tienray. In zijn ogen stelde ons dorp met zijn 192 inwoners niet veel voor. De zusters konden beter naar een grotere plaats met een jonge pastoor gaan. Zuster Paula liet zich niet zo gauw uit het veld slaan en stapte naar de burgemeester van Meerlo, de heer Van Haeff. Tijdens hun overleg kwam een nieuwsgierige buurvrouw eens poolshoogte nemen en die hoorde, dat pastoor Maessen tegen het stichten van een zustersklooster in Tienray was.
Zij schreef daarop een brief naar bisschop Drehmans in Roermond. Zij maakte daarin duidelijk, dat veel huismoeders op het platteland blij zouden zijn met de komst van de zusters, in verband met onder andere de gezondheidszorg en het onderwijs.
De bisschop verzocht de pastoor fijntjes om medewerking te verlenen bij de vestiging van een missieklooster in Tienray. De kogel was door de kerk. De pastoor draaide om als een blad aan een boom.

Zij was geboren in het Duitse Schleiden op 8 januari 1865. Ze overleed op 21 mei 1948 in Aarle-Rixtel en werd op 24 mei 1948 aldaar begraven.
Onder haar leiding werden de kloosters in Aarle-Rixtel (Laarbeek) en Tienray gerealiseerd. De architect was Caspar Franssen, die we ook tegen komen bij de realisatie van de buitenkruisweg in Tienray.
Op 6 oktober 1908 stond bij het station van Tienray een koets klaar met daarin pastoor Maessen en burgemeester Van Haeff. Zij vormden het ontvangstcomité voor zuster Paula. Ze reden rechtstreeks naar het gemeentehuis in Meerlo, waar de bouwplannen bestudeerd werden.
In 1909 werd het klooster gebouwd. Volgens het krantenbericht het “Het Gesticht St. Joseph”. Zowel in de voorgevel als achtergevel kwamen vijftien grote ramen en zes kelderramen. De gevel werd versierd met een beeld van de H. Joseph met als onderschrift: Ite ad Joseph. Rechts van de entree kwam één spreekkamer en links kwamen twee spreekkamers.
Aan de linkerkant waren de keuken en provisiekelder gesitueerd. Naast de proviandkelder waren nog wasruimten en bergplaatsen. De refter en de school waren in het rechter gedeelte te vinden. Aan de Tienrayse kant kwam ook een overdekte speelplaats. Boven waren: de kapel, de sacristie, twee logeerkamers, de slaapzaal, de ziekenkamer en ook een lange gang net als beneden.

De eventuele uitbreidingen zouden in de toekomst plaats vinden richting Meerlo.
De grond, die de zusters zelf niet benutten verhuurden ze nog. Zouden ze echter zelf tot exploitatie overgaan, dan zouden ze een paard nodig hebben om de grond te bewerken. Dit paard zou ook gebruikt kunnen worden om het rijtuig van de kapel te trekken. Dat rijtuig zou dan in of bij het klooster gestald worden.
Na verloop van tijd gingen de zusters het land zelf bewerken. Zij namen de heer Schouren uit Baarlo in dienst, waarvoor ze een huis bouwden op Bernadettelaan 9. In het huidige dienstencentrum was destijds de stal en de koeien graasden op de plek, waar nu Zonnehof ligt. Mede dankzij die boerderij, een omvangrijke boomgaard en een grote moestuin konden de zusters zichzelf bedruipen. Er werden kippen gehouden en de eieren die ze niet zelf gebruikten, werden geleverd aan de veiling.

In diverse huiskamers en winkels verschenen in die jaren missiebusjes, die één keer per jaar werden leeggemaakt. De bezitters van zo´n busje konden meedoen aan een prijsvraag. De winnaar kreeg een bijzondere prijs. In het missiegebied van de zusters zou het eerstvolgende kind, dat gedoopt werd naar hem of haar vernoemd worden.
De zusters hebben in het verleden veel goed werk verricht. Zij waren niet alleen actief in het onderwijs, de verzorging van de kapel, maar ook in het Groene Kruiswerk. Daardoor kwamen ze regelmatig in contact met gezinnen in behoeftige omstandigheden. Zij hielpen waar mogelijk in stilte. Veel mensen uit de omgeving gaven voor dat doel geld of goederen aan de zusters. Zo is in het kerkarchief te lezen, dat mevrouw L. Janssen – v.d. Kerkhof bij testament van 1912 aan het klooster haar klederen en gouden sieraden naliet.
De zusters hielden de kapel schoon, versierden de kapel en grot, verzorgden de misgewaden en zo meer. Daarbij deden ze ook de was van de parochiekerk van Swolgen. Aanvankelijk kregen ze daarvoor ƒ 50,00 per jaar, maar dat bedrag werd in de loop der jaren aangepast. De pastoor wilde op den duur het salaris van de zusters, siersters en in ordehoudsters verhogen tot ƒ 100,00 per jaar.
Zij behartigden de zaken opperbest en de werkzaamheden namen steeds toe. Zij pakten de duizenden nieuwe flesjes voor het Lourdeswater uit, maakten ze schoon en vulden ze. Op drukke feestdagen was er voortdurend een zuster in de grot om het aansteken van de offerkaarsen te regelen. “Dat was wel nodig, want de onverstandige pelgrims zouden alles tegelijk willen aansteken en zo brand veroorzaken, wat al een paar maal gebeurd was”, schrijft pastoor Von Bönninghausen.
Bij de zusters werd door de heren geestelijken na het opdragen van de mis tegen een vergoeding van dertig cent ontbeten. Voor de broodmaaltijd na de middag of ’s avonds werd evenveel betaald. Voordat er een klooster was, waren de geestelijken te gast bij de koster. Ook het middagmaal werd verzorgd in het klooster. Hiervoor werd per persoon ƒ 1,25 gerekend, exclusief wijn en sigaren.
Wijn en sigaren waren voor rekening van de kapel en werden betaald uit de opbrengst van de winkel.
De zusters gaven wel eens pelgrims onderdak en soms gaven zij hen eten en drinken.
Enkele Tienrayers vielen daarover en vonden dat ze daardoor schade leden. Pastoor Von Bönninghausen reageerde daarop als volgt:
“De zusters nodigen niemand uit en vragen van niemand iets. De pelgrims komen vanzelf en geven wat ze zelf willen”.
Verder merkte hij op:
1) Men bemoeit zich hier weer met andermans zaken, dat men zich liever met de zijne bemoeit.
2) Als daar voordeel aan verbonden zou zijn, dan mogen de zusters dat gerust hebben. Ze moeten genoeg voor niets of niet veel doen.
3) In Lourdes valt er niemand over. Waarom moeten er in Klein Lourdes aanmerkingen over gemaakt worden?
4) Moeten ze nu nog met klachten aankomen, nu voortdurend het getal pelgrims groter en groter wordt ?
5) Het hotelwezen in Tienray is nog vreselijk primitief ingericht en ik als pastoor juich het toe, dat er een nette, propere, deftige, en stille gelegenheid tot pension voor de pelgrims bestaat. Men heeft op vele plaatsen zelfs geen fatsoenlijke plee.
6) Dat ze zich in acht nemen met hun geklaag, anders wordt er wellicht bij de kapel een groot pelgrimshuis gebouwd.
7) De zusters volgen de voorschriften en instructies van haar orde van gastvrijheid op. Waarom zou zoiets overal in Europa en Afrika kunnen en mogen, doch niet in Tienray?
8) De gedragslijn van de zusters heeft de volle goedkeuring van de pastoor.
9) Er wordt veel bij gelogen onder andere dat de zusters gedrukte briefjes hebben, waarop het tarief vermeld staat.
Men durft ook al aanmerkingen te maken over de grote, mooie bouw van het klooster, vooral nu het vergroot is door de tussenbouw te verhogen met een etage.Men ontziet zich niet te zeggen dat men de zusters niets behoeft te geven, omdat ze toch genoeg hebben. Vooraf dit: de verhoging van de tussenbouw is het meest voor het logies van de paters, die aan de kapel komen assisteren.
Al de rest is voor het heil van de kinderen, de drie schoollokalen, bewaar – en naaischool, terwijl nog een deel van het klooster geschonken wordt voor de vereniging het Groene Kruis en Ziekenverpleging.
Verder:
1) Men bemoeit zich met een zaak die niemand aangaat.
2) De zusters hebben alles zelf bekostigd. Tienray zou dankbaar moeten zijn, dat het Moederhuis alles betaald heeft en het klooster een sieraad voor de plaats, waar nog zo weinig sierlijks was, geworden is.
3) Wat gebouwd is, is tot voordeel van de gemeentekas. Er had op de duur toch een school moeten komen.
4) Moet alles dan ook voor een klooster met kapel even “platboers” en laag en onaanzienlijk gebouwd worden, zoals bijna de hele rest woningen?
5) Bij dergelijke inrichtingen moet steeds gebouwd worden met het oog op de toekomst, voor de toenemende eisen van later en vermeerdering van personeel.
6) Wie nagaat welke inkomsten de zusters hier hebben, komt stellig tot de overtuiging dat ze eer gebrek dan weelde hebben.
In 1913 is er groot feest ter gelegenheid van het vijfentwintig jarig bestaan van de grot. Bij een feest hoort ook een feestdiner. Vooral als ook de bisschop aanwezig is. Het benodigde porselein werd gehuurd bij de firma Pasch in Venlo. Op de rekening stonden onder andere 150 glazen en zestig borden voor de huurprijs van ƒ 11,14.
Op het menu stond: zalm, ree, filet, ossenstaart, zwezerik, hoenders enz.
In de loop van dat jubeljaar dineerden maar liefst 117 priesters in het klooster.
In het klooster zijn ook regelmatig kinderen opgevangen. Kinderen vaak met gezondheids- en gedragsproblemen. Zo kwam in 1914 Martinus van Rijn naar Tienray. Het kind had TBC gehad en mocht aansterken bij de zusters. Zijn vader bedankte de zusters voor de geweldige opvang.
Tijdens de Eerste Wereldoorlog van 1914 tot 1918 namen de zusters vluchtelingen uit Westmalle (België) op. Onder andere twee paters en een broeder. Later kwamen er nog meer. Zo stonden de zusters steeds klaar voor de medemens. Toen ze zelf hulp nodig hadden, omdat er in 1919 niet genoeg eten in het klooster was, noemde pastoor Op de Coul hen “Die sluwe geistliche commedianten.” Hij wilde namelijk de kerk van Swolgen verbouwen tot een basiliek en daarom kon hij geen geld missen voor de zusters.
Op 28 maart 1931 stierf zuster Alberta, de moeder-overste. Zij was een echte vereerster van O. L. Vrouw van Tienray en een ijveraarster voor haar heiligdom. Van haar had pastoor Dinckels veel steun ondervonden, vooral in de eerste moeilijke jaren van het rectoraat.
In 1936 had Tienray 525 inwoners, waarvan dertig zusters. In 1938 bouwden de gebroeders Peeters, aannemers te Swolgen, op de kloosterzolder chambrettes. Tot dan sliepen de zusters op een gemeenschappelijke slaapzaal. Privacy kenden de zusters niet.
In 1943 woonden er zestig zusters in het klooster. In dat jaar vroeg de toenmalige overste Godelieve toestemming om een kerkhof ter grootte van 3.10 are bij het klooster te mogen aanleggen. In hetzelfde jaar ging het onderwijs aan kleuters in Blitterswijck van start. De eerste hoofdleidster werd zuster Amelberga. Uiteindelijk waren de zusters verbonden aan vier kleuterscholen in de oude gemeente Meerlo.
In 1961 werd de moderne kapel gebouwd. In een gedeelte van het klooster oefende tandarts Smits uit Blerick jarenlang een gedeelte van zijn praktijk uit. Nadat de Constant Dietzstraat aangelegd was in 1965 bouwde hij een praktijk op nummer 30.
Bij de start van Zonnehof in 1971 werden vanuit het klooster de maaltijden verzorgd voor die senioren die daar behoefte aan hadden.
Op 30 juni 1985 was er groot feest in het klooster in verband met het honderdjarig bestaansfeest van de orde. Het feest begon met een heilige mis om 10.30 uur. Monseigneur Gijsen droeg de H. Mis op geassisteerd door deken P. Dings uit Horst, pastoor P. de Klijn, rector J. Geurts en em. pastoor A. Geurts van Tienray, pastoor van der Meijden uit Sevenum en pater Van Dril uit Irian Jaya. Tienrays fanfare en het Gemengd Koor zorgden voor de muzikale omlijsting. Om 13.30 uur volgde een drukbezochte receptie.
Volgens het Katholiek Nieuwsblad nummer 75 van 14 juni 1985 had de orde van het Kostbaar Bloed in 1985 110 vestigingen in 16 landen met in totaal 1200 zusters. De orde had onder andere vestigingen in Zaïre, Zimbabwe, Zuid-Afrika, Papoea Nieuw Guinea en Mozambique.
Aanvankelijk droegen de zusters een rood habijt met een zwarte pelerine en een wit kapje. Zij leefden volgens de regel van Benedictus. In 1906 werd de orde goedgekeurd door paus Pius X. Sindsdien dragen de zusters op een zwart habijt een kruisje aan een rood koordje. Tijdens de open dag in 2000 zeiden de zusters, dat de congregatie nooit oud wordt. Ze blijft eeuwig jong.
In 2004 namen de zusters afscheid en werd alles verkocht aan Moeskops in Eindhoven. Daaruit werd het gebouw verkocht aan Lenferink Vastgoed uit Zwolle. Het werd asielzoekerscentrum, hotel onder leiding van Patric van Soest en de heer Logister, die beiden veroordeeld werden voor het exploiteren van een wietplantage.
Daarna huurde Sun Power het pand voor het onderbrengen van Poolse arbeiders en studenten. Een gedeelte werd hotel en kreeg een Chinees als beheerder voor het hele pand. Hij vertrok in 2013 met de noorderzon naar China beschuldigd van mensenhandel.
Eind 2013 kwam de mededeling, dat het klooster omgebouwd zal worden tot een zogenaamd zorghotel voor 24 mensen die zorg nodig hebben.
Dit is een heel oude foto. Er staat nog geen beeld van Sint Joseph in de nis. In het hoge gedeelte rechts ziet U aan de ra,men de kapel. Waarschijnlijk is dat de eerste. Rechts, het lage gebouw: de school.
Het klooster Sint Jozef is gebouwd in 1909. Eigenlijk was het de bedoeling van zuster Paula uit Aarle-Rixtel om het klooster in Venlo te bouwen. Daar kreeg ze het advies om naar Tienray te gaan omdat daar veel meer Duitsers kwamen. De Missiezusters van het Kostbaar Bloed probeerden Duitse meisjes te interesseren voor het missiewerk in Afrika. De zusters begonnen in 1910 al met het geven van onderwijs aan kinderen van vier tot achttien jaar. Vooral de “bewaarschool” was uniek. In de ons omringende dorpen kwam daar dat onderwijs pas tientallen jaren van de grond. Die scholen werden vaak geleid door een zuster uit Tienray.
De zusters werkten ook mee aan de oprichting van het Groene Kruis. In 2004 trokken ze zich terug en verkochten het hele complex. In 2012 werd het kerkhofje geruimd.